·

closet (EN)
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord

zelfstandig naamwoord “closet”

enkelvoud closet, meervoud closets
  1. een kleine kamer of afgesloten ruimte voor het opbergen van kleding, schoenen en andere persoonlijke spullen
    She kept her dresses and shoes neatly arranged in the closet.
  2. (figuurlijk) een staat van geheimhouding of verbergen, vooral met betrekking tot iemands seksuele geaardheid
    He decided it was time to come out of the closet and tell his family he was gay.

bijvoeglijk naamwoord “closet”

basisvorm closet, niet-vergrotend
  1. niet openlijk erkend of getoond; geheim
    She is a closet admirer of his work.

werkwoord “closet”

infinitief closet; hij closets; verleden tijd closeted; volt. deelw. closeted; ger. closeting
  1. iemand opsluiten in een privéruimte voor een vertrouwelijk gesprek
    The committee members closeted themselves to decide on the award recipient.