zelfstandig naamwoord “twin”
enkelvoud twin, meervoud twins
- tweeling
Meld u aan om de vertalingen van voorbeeldzinnen en eentalige definities van elk woord te zien.
My sister gave birth to twins last week, and both babies are healthy.
- tweeling
I found one glove, but its twin is missing.
- twin (hotelkamer)
We reserved a twin for our holiday, so we wouldn't have to share a bed.
- tweemotorig vliegtuig
The small twin flew low over the mountains.
- tweeling (in de kristallografie, een kristal bestaande uit twee symmetrische delen)
The geologist examined the twin under a microscope to study its structure.
werkwoord “twin”
infinitief twin; hij twins; verleden tijd twinned; volt. deelw. twinned; ger. twinning
- koppelen
Our city was twinned with a town in Japan to promote cultural exchange.
- verbinden
The play twins the theme of love with a lot of action.
- twin (overeenkomen of sterk lijken op elkaar, vooral door het dragen van vergelijkbare kleding)
They were twinning in matching jackets and jeans.
- (van een dier) bevallen van een tweeling
The farmer was pleased that the ewe twinned this spring.
bijvoeglijk naamwoord “twin”
basisvorm twin, niet-vergrotend
- tweeling (een van een paar zijn; bestaande uit twee gelijke of identieke dingen)
The hotel offers twin rooms with two separate beds.