·

twin (EN)
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord

zelfstandig naamwoord “twin”

enkelvoud twin, meervoud twins
  1. tweeling
    My sister gave birth to twins last week, and both babies are healthy.
  2. tweeling
    I found one glove, but its twin is missing.
  3. twin (hotelkamer)
    We reserved a twin for our holiday, so we wouldn't have to share a bed.
  4. tweemotorig vliegtuig
    The small twin flew low over the mountains.
  5. tweeling (in de kristallografie, een kristal bestaande uit twee symmetrische delen)
    The geologist examined the twin under a microscope to study its structure.

werkwoord “twin”

infinitief twin; hij twins; verleden tijd twinned; volt. deelw. twinned; ger. twinning
  1. koppelen
    Our city was twinned with a town in Japan to promote cultural exchange.
  2. verbinden
    The play twins the theme of love with a lot of action.
  3. twin (overeenkomen of sterk lijken op elkaar, vooral door het dragen van vergelijkbare kleding)
    They were twinning in matching jackets and jeans.
  4. (van een dier) bevallen van een tweeling
    The farmer was pleased that the ewe twinned this spring.

bijvoeglijk naamwoord “twin”

basisvorm twin, niet-vergrotend
  1. tweeling (een van een paar zijn; bestaande uit twee gelijke of identieke dingen)
    The hotel offers twin rooms with two separate beds.