zelfstandig naamwoord “cash”
enkelvoud cash, ontelbaar
- contant geld
Meld u aan om de vertalingen van voorbeeldzinnen en eentalige definities van elk woord te zien.
She paid for the groceries with cash.
- (finance) geld dat direct beschikbaar is voor gebruik (in tegenstelling tot investeringen of andere activa)
The company needs more cash to fund its operations.
werkwoord “cash”
infinitief cash; hij cashes; verleden tijd cashed; volt. deelw. cashed; ger. cashing
- een cheque inwisselen voor geld in de vorm van contant geld
After selling the car, he cashed the check at the bank.
- geldprijs winnen (in een toernooi)
He cashed in all three tournaments he played this week.